Een paar hoofdlijnen in het nadenken over verantwoorde gezinsvorming
Elke dag staan er heel wat geboorteadvertenties in de krant. Dankbare ouders zijn blij met hun kindje. ‘Van God gekregen...’ Inderdaad, kinderen néém je niet (en je máákt ze al helemaal niet), kinderen kríjg je van God.
Maar al die ouders staan niet lang daarna wel voor de vraag: kan er weer een zwangerschap komen? Kan er nog een kindje bij? Nu al? Wanneer dan? Wanneer is ons gezin ‘af’?
Zulke vragen zijn niet nieuw, en de antwoorden ook niet. Er is al heel wat geschreven over verantwoorde gezinsvorming. Ik zou dit artikel haast wel kunnen vullen met alleen maar het opnoemen van boeken over dit onderwerp. En twee kerkblad-artikelen zijn natuurlijk veel te kort om overal op in te gaan. Daarom alleen een paar hoofdlijnen. Om een richting te wijzen. En vooral bedoeld als gespreksstof. Omdat steeds weer volgende echtparen diezelfde vragen voor zichzelf moeten leren beantwoorden.
Niet onze wil, maar uw wil
Voor je het echt over de praktische vragen rond gezinsvorming gaat hebben, moet je, denk ik, eerst terug naar een paar meer algemene vragen: als je keuzes moet maken in je leven, wil je die dan laten beheersen door God? Ben je bereid om iets anders te doen dan je uit jezelf zou kiezen, alleen maar omdat Gód dat wil. Kun je in geloof zeggen: ‘Here, ik zou liever iets anders willen, maar U wilt dit, dus doe ik het’?
Dat zijn heel algemene vragen. Gelukkig is het niet zo dat je bij het nadenken over gezinsvorming altijd daarbij terecht komt. Maar het gaat er wel om met welke houding je begint bij het nadenken over dit onderwerp.
Ik kan me goed voorstellen dat je niet zomaar volmondig ja zegt op dit soort vragen. Want je geeft dan nogal wat uit handen. Dan moet je misschien wel iets doen tegen je eigen wil. Dat is niet niks. Zeker niet bij zo’n ingrijpend onderwerp als de grootte van je gezin.
En toch, als je geen ja zegt, kun je dit artikel net zo goed wegleggen. Dan kun je wel ophouden met het gesprek over wat voor God verantwoord is. Je hebt dan toch al beslist dat je uiteindelijk je eigen wil of je eigen gevoel volgt. Als je dat achteraf nog christelijk kunt verantwoorden heb je geluk gehad, en anders zoek je wel een uitvlucht (‘in onze situatie ligt het allemaal toch iets minder duidelijk...’) of je trekt je er gewoon niets van aan. Maar de beslissing heb je al genomen, vanuit je eigen wil, los van wat God er over zou kunnen zeggen.
Ik hoef niet uitgebreid uit te leggen dat de Here van ons iets anders mag verwachten. De Catechismus zegt het heel duidelijk in Zondag 49: geef dat wij onze eigen wil verloochenen (= er nee tegen zeggen) en uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn. God wil dat je inderdaad, als het nodig is, kunt zeggen: Here, van ons hoeft het niet, maar als U het wilt, doen we het’.
Dat is niet niks. Daar heb je gelijk in. Maar dat is wel de gehoorzaamheid die God van ons vraagt. In allerlei dingen, ook in je gezinsvorming. Dit moet je overtuiging zijn: niet onze wil, maar uw wil. Gelukkig mag je Hem vragen om dat te kunnen: léér ons naar uw wil te handelen!
Niet onze voorkeur, maar uw leiding
Je moet, denk ik, nog een andere algemene vraag stellen: durf je de leiding van je leven uit handen te geven? Durf je tegen de Here te zeggen: ‘Here, beslist U maar wat er moet gebeuren, ik geloof dat U er voor zult zorgen dat het goed komt’. Heb je het vertrouwen in God dat Hij zich niet vergist in wat Hij doet?
Ik kan me ook bij deze vragen voorstellen dat je niet zomaar ja zegt. Wij leren op allerlei manieren dat je zelf verantwoordelijk bent voor je leven. Allerlei beslissingen moet je zelf nemen. Je moet er zelf voor zorgen dat je voldoende verzekerd bent, enzovoort. Zo zit onze maatschappij steeds meer in elkaar. Daardoor leren we in de praktijk niet om te leven vanuit het vertrouwen dat het wel goed zal komen. Nee, je moet zelf ervoor zorgen dat het goed komt.
De Here leert ons dat we anders mogen leven. Je moet dingen uit handen durven geven en in zijn handen leggen. In het vertrouwen dat Hij er voor zorgt dat het goed komt.
Natuurlijk, je hebt als gelovige ook je verantwoordelijkheid. Je moet goede beslissingen nemen. Je kunt niet in alles leven met een houding van ‘we zien wel, God zal wel zorgen’. En het is ook echt wel moeilijk om precies aan te geven waar je eigen verantwoordelijkheid ophoudt en wanneer je de toekomst in Gods hand mag leggen. Maar naar mijn overtuiging lopen wij in deze tijd eerder het risico te weinig op God te vertrouwen dan dat we te weinig onze verantwoordelijkheid zouden benadrukken. Je kunt je verantwoordelijkheid ook over-benadrukken om zo je leven in eigen hand te willen houden. Omdat je te weinig vertrouwen hebt..
Laat ik het concreet maken. Zou het soms niet heel verantwoord zijn om te zeggen: Here, wat ons betreft hoeft er niet nog een kindje te komen; we hebben het goed met elkaar, voor ons mag het zo blijven; eigenlijk zien we er ook best een beetje tegenop om met zo’n kleintje weer helemaal overnieuw te beginnen; maar we laten die beslissing aan U over. Als U vindt dat het toch goed is, dan geloven we dat het goed is en dan vertrouwen we erop dat U ons ook helpt.
Gelovig nadenken over gezinsvorming vraagt m.i. ook altijd vertrouwen op God en de bereidheid om vanuit dat vertrouwen beslissingen te nemen: niet onze voorkeur, maar uw leiding.
Ver-antwoord keuzes maken
Ik heb het al een paar keer gehad over verantwoordelijkheid. Dat is in dit verband een goed woord. Christelijke gezinsvorming is verantwoorde gezinsvorming. Ver-antwoord. Je zou kunnen zeggen: dat betekent dat je antwoord moet kunnen geven op de vraag ‘waarom doe je het zo?’. Je moet dat kunnen uitleggen, kunnen verantwoorden. Aan God: je moet ver-antwoord bezig zijn tegenover Hem. Maar dan moet je het toch ook aan mensen kunnen uitleggen? Natuurlijk, dat vraagt een stuk vertrouwelijkheid, weten dat je veilig met iemand over zo’n gevoelig onderwerp kunt praten. Maar dan moet je toch kunnen uitleggen waarom je bepaalde keuzes gemaakt hebt.
Ik bedoel daar vooral dit mee, dat je niet kunt zeggen: ‘het is een zaak van ons beiden, daar heeft niemand iets mee te maken; we zoeken het zelf wel uit’. Dat kun je niet zeggen tegen over mensen (al hoef je er echt niet met iedereen over te praten), maar dat kun je zeker niet zeggen tegenover de Here.
Verantwoorde gezinsvorming, dat is er zo mee bezig zijn, er zo samen over praten en afwegend tot een beslissing komen, dat je een goed antwoord hebt op de vraag ‘waarom doen jullie het zo?’. Een antwoord, waarvan je ook mag vertrouwen dat God zegt: ‘het is goed dat je het zo doet’.
Een opdracht
Het belangrijkste is je uitgangspunt. Ik ben ervan overtuigd dat dat dit moet zijn: kinderen krijgen is niet alleen geweldig mooi, het is ook een opdracht. De Here geeft elk getrouwd stel de opdracht om open te staan voor het krijgen van kinderen. Het gaat er niet alleen maar om of je met z’n tweeën graag kinderen wilt, maar je moet er vanuit gaan dat de Here kinderen wil. Hij wil dat er kinderen geboren worden, in zijn wereld, in zijn kerk.
Je zou hier een apart artikel over kunnen schrijven. Dat kan nu niet. Ik wijs kort op twee teksten. Gen.1:28, weest vruchtbaar, wordt talrijk, vervult de aarde. Dat is het eerste dat God tegen de net geschapen mens zegt. Een eerste opdracht. En 1 Tim.2:15. de vrouw zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging. Een tekst waar je veel over kunt zeggen. In ieder geval ook dit: het krijgen van kinderen is blijkbaar de specifieke taak die de vrouw van God gekregen heeft.
Het nieuwste huwelijksformulier zegt daarom terecht: echtgenoten worden geroepen tot het ouderschap, wanneer de Here de mogelijkheden daarvoor geeft (met verwijzing naar de teksten die ik al noemde). Uitgangspunt is daarom: kinderen krijgen is een opdracht, geen kwestie van ‘willen wij het wel of willen wij het niet’.
Gods wil of je eigen wil
Als je die opdracht serieus neemt, geeft dat al heel wat duidelijkheid. Het gaat bij het krijgen van kinderen niet allereerst om je eigen wil, maar om Gods wil. En voor Gods wil moet je eigen wil soms aan de kant. Concreet betekent dat bijvoorbeeld dat een aantal overwegingen geen rol moeten spelen: het gevoel ‘wij hebben het zo goed, het hoeft van ons niet’; het idee dat mensen je raar aankijken als je een groter gezin hebt; ‘als er nog één bij komt, kunnen we allerlei dingen niet meer doen’. Allerlei argumenten vanuit je eigen gevoel en verlangen moet je eerlijk beoordelen: is dat belangrijker dan Gods opdracht?
Ik denk dat het goed is om dat te benadrukken. Het is in onze samenleving heel normaal om kinderen te plannen en daarbij alleen maar aan jezelf te denken. Daar ga je zomaar in mee. Maar ook bij dit heel persoonlijke onderwerp moet je zeggen: Here, leer ons naar úw wil te handelen. En dus vanuit Gods opdracht.
Je verstand gebruiken
Moet je dus maar zien hoeveel kinderen er komen?
Nee. Dat bedoel ik echt niet. Je moet je verstand gebruiken. Je moet soms een volgende zwangerschap voorkomen. Een tijdje of definitief.
Als je om je heen kijkt, kun je nuchter constateren dat je dit aan de meeste echtparen niet meer hoeft uit te leggen. Er wórden heel vaak zwangerschappen voorkomen. Anders werden er wel meer kinderen geboren.
Kort even de argumentatie waarom dat mag. Toen de Here zijn opdracht gaf, sprak hij de mens aan. Genesis 1:28, God zei tot hen: weest vruchtbaar. Vlak daarvoor gaat het over de dieren. Daar staat het iets anders: God zei: weest vruchtbaar (1:22). Daar staat niet bij ‘tot hen’. De dieren worden door God niet direct aangesproken. Bij hen legde God de voortplantingsdrift in hun instinct, bij de mens knoopte hij de voortplantings-opdracht in hun oren. Mensen moeten hun verstand blijven gebruiken. Met z’n verstand moet ieder mens afwegen wat Gods algemene opdracht betekent in zijn concrete situatie. Dat geldt voor alle opdrachten van God, ook van deze.
Dat betekent onder andere: als je gemeenschap wilt hebben, moet je erover nadenken dat daar een zwangerschap uit voort kan komen. Je moet van tevoren overwegen of dat verantwoord is. God heeft je verstand gegeven om dat te beoordelen. Hij heeft ons ook verstand gegeven waardoor we kunnen bedenken hoe we een zwangerschap kunnen voorkomen. Dat verstand moeten we gebruiken. De mens die aangesproken wordt, moet ver-antwoord bezig zijn.
Twee opdrachten afwegen
Maar hoe beoordeel je wat verantwoord is? Als je een heleboel dingen niet mee moet wegen, wat dan wel? En vooral: hoe kun je Gods opdracht serieus nemen en toch tot de conclusie komen dat er op dat moment geen zwangerschap mag komen?
Je kunt aan Gods opdracht niet voldoen, als je op dat moment andere, belangrijkere opdrachten van God krijgt. Ik denk dan vooral hieraan: de opdracht om open te staan voor het krijgen van kinderen betekent tegelijk ook een tweede opdracht: als je kinderen gekregen hebt, moet je die uiteraard ook verzorgen en opvoeden. Gods opdracht is niet alleen maar om kinderen te krijgen (laat staan: om zoveel mogelijk kinderen te krijgen); je moet de kinderen die je krijgt, ook verzorgen en opvoeden. De Here wil via zwangerschap en opvoeding volwassen mensen krijgen die voor Hem willen leven op zijn aarde. Dáárvoor schakelt hij huwelijken in.
Die vervolg-opdracht is een hele taak. Elke zwangerschap geeft je, als de Here je kind gezond laat opgroeien, werk voor minstens zo’n twintig jaar. Belangrijk en niet altijd makkelijk werk. Maar je kunt je er niet aan onttrekken. Het is een opdracht van God.
Nu kan het gebeuren, dat de zorg voor de kinderen die er al zijn, zo groot is, dat het onverantwoord is om de zorg voor een nieuw kind op je te nemen. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met bijzondere zorg voor een gehandicapt kind of met de zwakke gezondheid (lichamelijk of psychisch) van de ouders. Het kan ook te maken hebben met het geheel van de zorg voor het gezin. De samenleving is steeds gecompliceerder en dat vraagt van ouders veel energie bij het opvoeden. Om verschillende redenen kan de opdracht die je hebt richting de kinderen die er zijn, zwaarder wegen dan de opdracht om open te staan voor een nieuwe zwangerschap.
Ik zou daarom de volgende regel in overweging willen geven: een zwangerschap moet worden voorkomen, als duidelijk is dat die zwangerschap het welzijn van het bestaande gezin onevenredig bedreigt.
Dan moet je uiteraard dat ‘onevenredig bedreigen’ wel goed invullen. Het gaat er niet om of de oudste twee het wel leuk zullen vinden dat ze voortaan op één kamer moeten slapen of iets dergelijks. En we kunnen ons ook te makkelijk laten aanpraten dat bij een groter gezin kinderen te weinig aandacht en liefde krijgen, en nog meer van zulke overwegingen. Natuurlijk betekent een nieuwe zwangerschap dat het gezin zich moet aanpassen. En misschien wordt het ‘welzijn’ wel wat minder op sommige punten. Maar daarmee is het nog niet ‘onevenredig bedreigd’.
Gelovig samen nadenken
Het is natuurlijk een algemene regel. Elk echtpaar moet er zelf mee aan het werk. Dan blijven er nog genoeg vragen en moeiten. Toch hoop ik dat zo’n regel helpt om het denken richting te geven. Die richting moet niet je eigen gemak zijn (‘zo lastig, weer een kleintje erbij’); niet je eigen gevoel (‘het hoeft van ons gewoon niet’); niet de reacties van anderen (‘iedereen zou het gek vinden als er nog één kwam’), maar Gods opdrachten.
Vanuit de opdrachten die God je geeft, moet je een verantwoorde afweging maken. Met de overtuiging: Gods wil geeft de doorslag. Hij leidt ons leven. Als wij geen verantwoorde reden hebben om nee te zeggen, laten we aan Hem over of het ja wordt.
Nogmaals, het moest kort en daarom hier en daar erg kort. Ik hoop dat het een aanleiding is om door te praten en te denken en dat het mag helpen bij het vinden van de goede richting. Ik wens iedereen die ermee te maken heeft Gods wijsheid toe.