De zegen van de NBV...?

We gebruiken al een poosje de Nieuwe Bijbelvertaling. Tenminste, voor de bijbellezingen. Maar nog niet altijd voor de zegengroet en de zegen. Dat heeft een praktische reden: de ‘oude' tekst zich nog zo vast in m'n hoofd. Maar er is ook een andere reden. De zegen uit Numeri 6 klinkt in de NBV behoorlijk anders dan we gewend waren. En het is de vraag of we hem zo kunnen gebruiken in de kerkdienst.
Ik heb daar pas iets over geschreven in het regionale ‘Gereformeerd Kerkblad'. Het grootste deel van dat artikel volgt hieronder:

Zegen uitspreken of zegen toewensen
Moge de HEER u zegenen en u beschermen, 
moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, 
moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.
Zo is de NBV-vertaling van Numeri 6:24-26.  Deputaten Bijbelvertaling zijn er in hun aanvullend rapport aan de GS 2005 duidelijk over: ‘de Aäronitische zegen in Numeri 6:24-26 is in de NBV heel mooi verwoord‘. Ik heb daar mijn vraagtekens bij, zeker als het gaat om de vorm. ‘Moge de HEER u zegenen' - is dat wat hier bedoeld wordt? En vooral, is dat wat de gemeente als laatste woord meegeven mag worden? Klinkt dat niet te veel als een wens? De zegen uitspreken is toch veel meer dan de gemeente Gods zegen toewensen?!

Geen duidelijkheid uit het Hebreeuws
Het zou het makkelijkste zijn, wanneer zulke vragen stellig beantwoord konden worden vanuit de oorspronkelijke taal. Kon je maar vanuit het Hebreeuws duidelijk aantonen welke vertaling het beste is: de aanvoegende wijs ‘hij zegene' of de aantonende wijs ‘hij zegent'.  Maar dat kan niet. Daarvoor heeft het Hebreeuws te veel een andere opbouw dan het Nederlands. Daar komt nog iets bij. Bij twee van de zes werkwoorden in deze zegenspreuk lijkt in het Nederlands vooral de aanvoegende wijs te passen. Maar ik meen mij te herinneren dat het destijds onze hoogleraar Hebreeuws, prof. J.P. Lettinga, was die mij verwees naar studies van H.Jagersma. Deze maakt aannemelijk dat voor deze werkwoordsvormen gekozen is vanwege de schematische opbouw: de drie regels hebben achtereenvolgens 15, 20 en 25 letters. Om stilistische redenen staat er dus een aanvoegende wijs. Als vertaling past daarom niet ‘hij zegene', maar gewoon ‘hij zegent', of ‘hij zal zegenen'. Een ingewikkeld verhaal, niet passend in dit kerkblad, maar ik noem het om duidelijk te maken dat de Hebreeuwse grondtekst moeilijk de doorslag kan geven.

Een betrouwbare belofte
Belangrijker dan de vorm van de Hebreeuwse werkwoorden is wat de HERE bij deze zegen zegt. In Numeri 6:23-27 staat: Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen: (dan volgt de zegentekst). Als zij mijn naam over het volk uitspreken, zal ik de Israëlieten zegenen. Letterlijk: Zij zullen mijn naam op de Israëlieten leggen en Ik zal hen zegenen.
De zegen van Aäron en zijn zonen is de zegen van de HERE zelf. Het is een stellige belofte van de HEER: Ik zal zegenen. God belooft dat Hij op dat moment en in de toekomst bij zijn volk zal zijn. Daar hoeft Israël niet aan te twijfelen. De priesters mogen dat met stelligheid aan het volk doorgeven. Niet als een vrome wens, maar als een betrouwbare belofte van God.
Wij mogen die lijn doorgetrokken zien in de belofte van onze Heer Jezus Christus, toen Hij terugging naar de hemel. Hij stuurde zijn apostelen de wereld in om alle mensen te bereiken met het evangelie en zei daarbij: Ik ben met jullie. Volgens de beschrijving in Lucas 24:51 ging Jezus omhoog terwijl Hij de apostelen zegende.
De zegenrijke aanwezigheid van de Heer bij zijn volk is niet iets wenselijks, maar iets waar met stelligheid over gesproken mag worden. God belooft zijn zegen. Zijn belofte is betrouwbaar. Wie die belofte gelovig beaamt, ontvangt echt zijn zegen.

De Heer zegent u
Wat is dan de beste bewoording van die zegen in de kerkdienst? Daarin mag de zekerheid van de belofte doorklinken (als tegelijk het belofte-karakter benadrukt wordt in de inleiding op de zegen en in het gemeente-brede Amen na de zegen!). Laat maar duidelijk zijn dat de zegen die in naam van Christus uitgesproken wordt, meer is dan een wens.
Daarom zet ik mijn vraagtekens bij de weergave in de NBV:  ‘moge de HEER u zegenen'. In onze oren is dat een goede wens, die klinkt als ‘ik hoop dat de Heer u zegent'. Wat mij betreft is dat veel te mager.
Dat geldt ook voor de tekst uit de vorige vertaling: ‘de HERE zegene u en behoede u'. Ook die aanvoegende wijs kan de klank hebben van een wens of gebed. Dat blijkt ook wel uit de gewoonte die we lange tijd gekend hebben: een preeklezende ouderling hoefde slechts het woordje ‘u' te veranderen in ‘ons' en de zegen was een gebéd om zegen geworden.
Wat veel predikanten bij de vorige vertaling al deden, zal daarom ook bij het gebruik van de NBV de beste keuze zijn: de aanvoegende wijs omzetten naar stellige beloftetaal. God de Vader en Jezus Christus beloven door de Heilige Geest zegenend te werken in het leven van ieder die deze belofte aanneemt. Leg daarom de naam van deze drieënige God op zijn volk en Hij zal hen zegenen:
De HEER zegent u en beschermt u,
de HEER doet het licht van zijn gelaat over u schijnen en is u genadig,
de HEER wendt zijn gelaat u toe en geeft u vrede.

1 februari 2006 | ds. Rob Vreugdenhil