Uitbundige erediensten??

In november 2012 schreef ik, n.a.v. de dankdagdienst, een artikeltje in Lichtbron-nieuws over uitbundigheid: nadenken over de liturgie vanuit de belijdenis van Gods drie-eenheid. De Geest gebruikt de scheppingsgaven van Vader voor de kerk van Christus. Zijn wij geschapen om uitbundig onze Heer te eren?

Klik hier voor het artikel >

Een kerkdienst moet je mee maken

Wat gebeurt er in een kerkdienst?
Waarom doet de predikant de dingen op deze manier?
Wat is de achtergrond van sommige veranderingen?
Hoe beleef ik dat het beste mee?
In de gemeentestudie-avond van 9 november 2005 kwamen deze vragen aan de orde. De inleiding die ik daar gehouden heb, heb ik omgewerkt naar een paar artikeltjes in ons kerkblad. Veel dingen laat ik liggen, omdat ze wel bekend zijn. Ik wil vooral uitleggen waarom ik bepaalde accenten leg en keuzes maak.
Steeds zal ik een stukje achtergrond geven en daarna wat voorbeelden van hoe dat uitwerkt in de praktijk. Daarbij leg ik uit hoe het nu gaat, maar ik geef ook ideeën voor hoe het in de toekomst anders zou kunnen. Voor de duidelijkheid: dat is geen kerkenraadsbeleid of standpunt van een liturgiecommissie. Het zijn mijn ideeën, waarover rustig nagedacht mag worden.

Actieve inzet gevraagd
Een kerkdienst meemaken is iets anders dan het zitten in een bioscoop of theater. Daar kun je passief zijn. De film draait of de artiest maakt zich druk en jij kunt lekker toekijken. In de kerk moet het anders zijn. De kerkdienst vraagt om actieve inzet. Je wordt ingeschakeld, op allerlei manieren. Vandaar de titel boven deze serie: een kerkdienst moet je mee maken. Dat is dubbelop: het is een gebeurtenis die je moet meemaken. En het is iets waar je actief in betrokken wordt, je moet mee doen om de kerkdienst te maken. Ik hoop dat dat in deze artikelen duidelijk wordt.

De serie bestaat uit vijf artikeltjes:
1. De kerkdienst: omgang in alle richtingen
2: Omgang met hart, hoofd, handen en voeten
3. Omgang met varierende vormen en inzet van verschillende gaven
4. Vormgeving: vrijheid en verantwoordelijkheid
5. Laagdrempelig gemeente-zijn

Zie verder ook de preken-serie over liturgie >

ds. Rob Vreugdenhil | 7 februari 2006

De kerkdienst: omgang in alle richtingen

Kerkdienst is omgang
In een kerkdienst gebeurt heel veel. Je kunt dat samenvatten in één woord: omgang. De Heer onze God gaat met ons om. Hij is bij ons. Hij spreekt ons aan. Wij spreken Hem aan. Wij geven Hem onze lof en dank. We hebben ook omgang met elkaar. We ontmoeten elkaar, spreken elkaar aan. Je zou het kunnen tekenen met drie pijlen: de pijl van boven naar beneden: van God naar ons toe; de pijl van beneden naar boven: wij naar God; en de horizontale pijl: wij met elkaar. Dat betekent dat je in een kerkdienst niet alleen komt om iets te krijgen. Je komt ook iets geven. Je geeft aan God eer en dank, aandacht en eerbied. Je geeft aan een ander aandacht, betrokkenheid, meeleven Omgang met God en met elkaar vraagt actieve inzet.

Lofliederen geven aan God
Het geven aan God mag volgens mij meer accent krijgen in onze diensten. Dat is de reden waarom ik tegenwoordig de dienst vaak laat beginnen met een aantal lofpsalmen en -liederen. God heeft ons gemaakt om Hem te eren, laten we daar dan ook de tijd voor nemen. Niet een paar verzen aan het begin omdat dat zo hoort, maar er echt voor gaan staan om Hem te eren.

Onderlinge omgang is ook dienst
Het geven aan elkaar is een volwaardig deel van onze dienst aan God. In de beschrijving van hoe de eerste gemeente leefde (Handelingen 2) ligt er veel accent op de onderlinge gemeenschap. Jezus zelfde leerde ons dat het tweede gebod (de ander liefhebben) net zo belangrijk is als het eerste (God liefhebben). Het is dus niet zo dat de onderlinge ontmoeting van een lagere orde is dan de ontmoeting met God; het is dus niet nodig om die onderlinge ontmoeting búiten de kerkdiensten te houden. Geen tegenstelling maken tussen het geestelijke (dienst aan God) en het praktische (samen gemeente zijn). Ook de praktische kant van gemeente-zijn is dienst aan God en past dus ín de eredienst.


Gemeente-opbouw in de dienst
Om deze reden neem ik bijvoorbeeld de tijd om vóór het gebed de gemeente bij te praten over ziekte en gezondheid van gemeenteleden. Maar ik denk dat er nog meer mogelijkheden liggen. Waarom zouden we niet in de dienst meer aandacht geven aan allerlei vormen van gemeente-opbouw en onderlinge omgang? Dat zou bijvoorbeeld passen na de collecte (ook een vorm van praktisch gemeente zijn!). De jeugd kan iets vertellen over een activiteit. Er kan een nieuwe commissie gepresenteerd worden of de plannen van een werkgroep kunnen toegelicht worden. Foto’s van een activiteit kunnen tijdens de collecte getoond worden op de beamer. De kerkenraad kan een stuk beleid toelichten.
Allemaal praktische kanten van gemeente-zijn en de omgang met elkaar, maar voluit dienst aan de Heer!

Vriendelijkheid
In de bespreking tijdens de studieavond is er over gepraat hoe je zelf iets kunnen geven aan anderen in de kerk. Er is gepleit voor meer oog voor elkaar. Groet degene naast wie je komt te zitten. Wens iemand na de dienst een goede zondag. Informeer naar iemands gezondheid. Er zijn mensen die alleen naar de kerk komen en er alleen weer uitgaan, een lange zondagmiddag tegemoet. Wat kan het veel betekenen als ze dan vriendelijk aangesproken worden! Er is ook voorgesteld om aan het begin van de dienst te vragen of iedereen de mensen om hem heen een hand wil geven. Misschien dat ik zoiets wel eens kan doen bijvoorbeeld op de Paasmorgen. Belangrijk is vooral dat we met een open houding naar de kerk komen. Niet alleen om zelf iets te ontvangen, maar ook om te geven aan de anderen. Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen (Fil.4:5).

Omgang met hart, hoofd, handen en voeten

Hoofd, hart, handen-en-voeten
Bij die omgang zijn wij betrokken met ons hoofd, met ons hart en met onze handen en voeten. Dat zijn de drie kanten van het geloof. Aan catechisanten leg ik dat altijd uit met dit poppetje.


Om te geloven moet je God kennen. Je moet weten wie Hij is, wat Hij gedaan heeft. Geloven kan niet zonder de kennis van je hoofd. Daarom is het goed om steeds meer te lezen in de bijbel. In de kerkdienst, vooral in de preek, wordt daarom veel uitgelegd.
Maar het belangrijkste in het geloof is de liefde voor God. In het oude èn het nieuwe testament is dat de samenvatting: heb God lief boven alles. Geloof is vooral iets van je hart. Het moet niet blijven steken in je hoofd. In de kerkdienst moet ook je hart geraakt worden. De omgang met God en met elkaar mag je emotie raken: geraakt worden door zijn liefde, verslagen zijn vanwege je zonde, meelijden als een ander lijdt,  blij zijn als er blijheid is. Geloof is niet compleet als het niet doorwerkt in praktisch handelen.  Lees bijvoorbeeld de beschrijving van de eerste gemeente, Handelingen 2:41- 47. Ze vormden een gemeenschap en gaven dat concreet handen en voeten door samen te eten en hun bezit met elkaar te delen. Geloven is niet alleen weten en liefhebben, maar ook doen. En ook die praktische kant van geloven hoort bij de omgang met God en elkaar, en dus in de kerkdienst.


Niet alleen leren, maar ook beleven
Veel van mijn keuzes met betrekking tot de liturgie hebben te maken met deze drie aspecten van geloven. De kerkdiensten  mogen niet eenzijdig op één van de drie gericht zijn. Er moet niet alleen aandacht zijn voor het weten van het geloof en het vergroten van de kennis. Er moet ook ruimte zijn voor het van harte beleven van het geloof.
Daarom geef ik geregeld aandacht aan de genadeverkondiging. Daarin hoor je meestal niet iets nieuws. Maar ik probeer het wel zo te doen, dat het harten kan raken. Want er is verschil tussen weten dat er vergeving van zonde is en je bevrijd voelen van jouw zonde.
Dit is ook de reden waarom ik vrij veel varieer. We weten allemaal dat je hart eerder geraakt wordt als dingen op een nieuwe manier gebracht worden. Met steeds dezelfde woorden is de kans groot op sleur en dus oppervlakkigheid die het hart niet raakt.
Eén van de manieren waarop harten bereikt kunnen worden, is muziek. Samen zingen of luisteren naar orgel of piano kan emotie geven. Zingen kan je blij maken en je boven je problemen uittillen. Muziek kan helpen om vol te zijn van de Geest (Ef.5:18-19). Ook dat is voor mij een reden om vrij veel te laten zingen. Daarbij mogen we ook ons best doen om het mooi te laten klinken. De Heer leert ons in de bijbel ook om te genieten van wat mooi is. Geniet maar van een schitterend tussenspel tussen twee verzen of van het meerstemmig zingen van een lied.


Leer-preken en belevingspreken
Bij het maken van de preek gebruik ik ook het onderscheid van hoofd, hart en handen-en-voeten. In de meeste preken probeer ik op elk van deze drie niveau's iets mee te geven. Maar soms kies ik bewust voor een eenzijdige preek. Een preek op Paasmorgen of eerste Kerstdag hoeft geen nieuwe informatie te bevatten. Het doel van zo'n preek is niet dat de gemiddelde kerkganger na afloop zegt ‘ik heb weer veel geleerd'. Maar ik hoop wel dat veel mensen blij naar huis gaan, omdat het evangelie van Jezus Christus hen weer geraakt heeft.

Catechismus-preken zijn vaak juist wel meer gericht op het kennen. Daarin wordt de leer van Gods Woord samengevat en onderwezen. Soms voel ik me bij zo'n preek vooral leraar. Dan mis ik ook wel eens de reacties van de ‘leerlingen'. Er wordt wel voor gepleit om in zulke diensten ruimte te geven voor het stellen van vragen. Vooral om praktische redenen heb ik daar nog vraagtekens bij. Maar misschien is het wel iets om over verder te denken.

Handen-en-voeten in de kerkdienst
We zijn er aan gewend dat we één moment in de dienst hebben om ons geloof praktisch vorm te geven: de collecte. Doordenkend over de drie aspecten van geloven, kun je er voor pleiten om in de dienst ook ruimte te maken voor andere praktische kanten van geloof en gemeente zijn. In m'n vorige artikel heb ik dat ook al genoemd, vanuit de invalshoek van de omgang met elkaar. Aansluitend aan de collecte kan er bijvoorbeeld aandacht zijn voor activiteiten in de gemeente. Dat is dan geen pauze in de kerkdienst, maar een volwaardig onderdeel ervan.

De waardering van een kerkdienst en je eigen geloof
De reacties na een kerkdienst zijn soms heel verschillend. De één is blij geraakt, de ander miste van alles of heeft zich geërgerd. Het is goed om daarover met elkaar in gesprek te gaan. Durf daarbij ook de vraag te stellen welk verband er ligt met je eigen geloof. Wie in zijn eigen geloof eenzijdig sterk gericht is op het beleven, kan afknappen op diensten waarin vooral het accent ligt op de kennis van God. Wie moeite heeft met z'n eigen geloofsemotie, ergert zich misschien aan diensten waarin de beleving een grote rol speelt. Kritiek op de kerkdienst kan nodig zijn, maar durf ook kritische vragen te stellen bij je eigen geloofsbeleving. Zoek voor jezelf biddend naar de goede verhouding in verstandelijk kennen, doorleefd liefhebben en praktisch christen-zijn. En bid voor de voorgangers, dat zij de diensten zo vorm geven dat alle elementen tot hun recht komen.

Omgang met variërende vormen

Oude Testament: vaste vormen
Het volk Israël had ook al omgang met de HEER hun God. Ook toen ging het om liefhebben met heel het hart, al het verstand en alle krachten (Deut.6:5). Maar Israël kreeg heel nauwkeurig voorgeschreven op welke manier die omgang moest worden vormgegeven. Mozes kreeg tot in detail te zien hoe de tabernakel gemaakt moest worden. 'Ik zal je een ontwerp laten zien van de tabernakel en van alle voorwerpen die bij deze tent horen; houd je daar nauwkeurig aan', zei de HEER tegen hem (Ex.25:9). Dat gold ook voor de offers die gebracht moesten worden. Lees maar in Leviticus. Heel de eredienst van Israël was precies omschreven. Vaste vormen van geslacht op geslacht.

Oude Testament: bijzondere personen
Volgens de wetten van het Oude Testament waren ook vaste mensen actief in de eredienst. Alleen uit de familie van Aäron kwamen de priesters. De hogepriester werd niet aangewezen op grond van zijn gaven, maar hij nam de taak eenvoudig over van zijn vader.

Nieuwe Testament: zelf vorm geven
Door het werk van Jezus Christus is er veel veranderd in de manier waarop de HEER met mensen omgaat. Christus gaf zichzelf als het grote offerlam. Het voorhangsel van de tempel scheurde toen Hij geroepen had 'het is volbracht'. De schrijver van de Hebreeënbrief legt uitgebreid uit dat alle eindeloos herhaalde vormen nu voorbij zijn. Alle regels over offers, feestdagen en andere vormen van eredienst gelden niet meer. Maar er zijn geen nieuwe regels voor in de plaats gekomen! In plaats van de gedetailleerde wetten van het Oude Testament geeft God nu zijn Heilige Geest. Door die Geest schrijft hij zijn wet in de harten van mensen (Hebr.8:10).De HEER geeft zijn christenen de verantwoordelijkheid om zelf de vormen te zoeken voor de omgang met Hem.

Variatie
Binnen het Nieuwe Testament is al te zien hoe die vormen per situatie kunnen verschillen. Als Paulus in Antiochië komt, gaat hij naar de synagoge; hij preekt daar vanuit het Oude Testament en trekt de lijn door naar Jezus. Maar in Athene gaat hij de markt op, knoopt aan bij een godenbeeld 'voor de onbekende god' en citeert heidense dichters (Hand.13:13-41 en 17:22-32). Hij legt dat later ook uit: Voor de Joden ben ik als een Jood geworden om hen te winnen. (...) En voor hen die niet onder de Joodse wet staan, ben ik als iemand geworden die de wet niet heeft, om hen te winnen. (...) Ik ben voor iedereen wel íets geworden, om in elke situatie althans enkelen te redden (1 Kor.9:20-22). De inhoud blijft hetzelfde, maar de vorm verschilt per situatie, per doelgroep.

Doelgroepen
Onze kerkdiensten zijn bedoeld voor ieder die in de kerk gekomen is. Daarbinnen is nogal wat variatie: kinderen, pubers, dertigers, ouderen. Maar ook: gelovigen, gewoonte-kerkgangers, onkerkelijke gasten. Het lukt niet om in elke dienst voor elk van deze 'doelgroepen' de meest passende vormen te gebruiken. Meestal kiezen we daarom een soort gemiddelde. Maar het is goed om regelmatig de vorm van een dienst (of van een onderdeel in de dienst) speciaal aan te passen aan één van de bijzondere doelgroepen. Daarmee maken we extra duidelijk: de omgang met God is er ook voor u/jou. En ook: wij vinden het belangrijk om u/jullie erbij te betrekken. Daarom hebben we soms een jeugddienst. Daarom wordt regelmatig een onderdeel van de dienst aangepast aan de kinderen, het zogenaamde 'kindmoment'. Daarom beleggen we gastendiensten. Dat past allemaal bij de verantwoordelijkheid die wij in het Nieuwe Testament gekregen hebben.

Inzet van gaven
Kenmerkend voor het Nieuwe Testament is ook dat de gelovigen zelf meer betrokken worden in de omgang met God. 1 Korintiërs 14:26 geeft het beeld van een samenkomst waarin allerlei gemeenteleden een inbreng hebben. De Geest geeft aan iedereen gaven en veel van die gaven zijn inzetbaar in de samenkomst. Omdat het zuiver preken van Gods Woord zo belangrijk is, mag dat alleen gebeuren door predikanten die daarvoor opgeleid zijn. Maar bij andere onderdelen van de dienst kunnen gemeenteleden worden betrokken. Daarom vraag ik bijvoorbeeld via het gebedsboek om het meedenken over gebedsonderwerpen. Een andere mogelijkheid is om gemeenteleden zelf een deel van de gebeden te laten verzorgen. Ook mogen we er naar streven om bijzondere gaven op het gebied van muziek of kunst in te schakelen. Daarmee doen we niet alleen recht aan de gaven die de Geest aan de gemeente geeft; het kan ook de onderlinge omgang bevorderen, als we onze waardering kunnen laten merken voor iemands capaciteiten. Jongeren voelen zich veel meer serieus genomen door de gemeente, wanneer zij op hun eigen manier actief kunnen zijn in de samenkomsten.

Aanvaard elkaar in liefde
Ik pleit dus voor meer variatie in de diensten dan we tientallen jaren gewend waren. Dat heeft ook een risico. Een nieuwe vorm of de inzet van gemeenteleden kan negatieve reacties oproepen. Niet elke vorm wordt door ieder gewaardeerd. Variatie kan ook betekenen dat je een keer een vorm kiest waarvan je achteraf inziet dat hij minder geslaagd was. Heel belangrijk is dan dat er binnen de gemeente goed gereageerd wordt. Iemand zei eens: er staan in het Nieuwe Testament heel weinig regels over de vorm van de eredienst, maar er staat heel veel over hoe je met elkaar om moet gaan: aanvaard elkaar, wees elkaar tot een hand en een voet, veroordeel niet, doe een stap achteruit terwille van de ander, enzovoort. Zoek de eenheid vanuit de liefde van Christus. Wees mild. Wee blij met de ander, ook al voel je je niet meteen blij met wat hij doet. Jezus heeft ons geleerd: aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn (Joh. 13:35). En opvallend is dat hèt hoofdstuk over de liefde (1 Kor.13) staat in een gedeelte dat gaat over hoe je in de gemeente omgaat met verschillen. Variatie in vormen vraagt dus om een gemeente vol liefde!

Vormgeving: vrijheid en verantwoordelijkheid

Meer variatie in de vormgeving van de kerkdiensten. In het vorige artikeltje heb ik uitgelegd dat dat past bij de nieuwtestamentische gemeente. Maar kun je dan zomaar allerlei dingen anders doen? Zijn er geen blijvende regels? En wie beslist wat er anders kan?

Normen
In een kerkdienst beleven we de omgang van God met zijn gemeente. De belangrijkste regel is daarom: de vormgeving van een kerkdienst moet passen bij Hem, hoe Hij met mensen omgaat. Net als bij zoveel andere dingen geldt hier dus: gehoorzaamheid aan de bijbel, het Woord van God. Bij liturgische veranderingen mag het niet vooral gaan om onze eigen ideeën en wensen. Altijd moet je je afvragen: wat past het beste bij hoe de Heer zich laat kennen.
In de bijbel laat de Heer ook zien dat je bij het maken van keuzes niet alleen staat. Paulus schrijft aan de Korintiërs: Of is het woord van God van u uitgegaan, of heeft het alleen u bereikt? (1 Kor.14:36) Je bent niet de eerste en de enige die over deze dingen nadenkt. Je bent verbonden met de kerk wereldwijd en de eeuwen door. Neem dat mee in je beslissingen. Voor ons betekent dat vooral: houd rekening met de andere kerken in het kerkverband (andere vrijgemaakte kerken) en met de gereformeerde traditie.

Afspraken
De gereformeerde kerken hebben altijd samen afspraken gemaakt over de kerkdiensten. Vooral in de begintijd was dat hard nodig. Na de breuk met de Roomse kerk (16e eeuw) moest men nadenken over nieuwe vormen (waarbij trouwens ook terug gegaan werd naar de kerk van de eerste eeuwen).
In de tweede helft van de 20e eeuw, na de Vrijmaking en de buiten-verband-kwestie, zijn die afspraken steeds meer gaan functioneren als vrij strakke regels. Sinds 1978 staat in onze kerkorde: ‘De kerken zullen zich houden aan de orden van dienst die door de generale synode zijn goedgekeurd' (art.65). In de praktijk werd dit nogal eens uitgelegd als: in een kerkdienst krijgen alleen die elementen een plaats die in de orde van dienst vermeld staan, met die bewoordingen en in die volgorde.

Zuidhorn 2002: Koersbepaling
In de Generale Synode van Zuidhorn 2002 hebben de kerken nog eens goed nagedacht of dit inderdaad de bedoeling was. Het resultaat van die bespreking is vastgelegd in een ‘koersbepaling'. Daarin wordt de verhouding omschreven tussen landelijke afspraken en plaatselijke variatie-vrijheid. Ik citeer een groot deel daaruit:
1. De kerken beperken zich in haar generale synode tot het uitzetten van algemene kaders die op basis van de eenheid in het geloof maatgevend moeten zijn voor de vormgeving en invulling van de erediensten in alle kerken. De synode legt deze vast in desbetreffende kerkorde-artikelen en in eventuele generaal-synodale bepalingen.
Verder creëert de generale synode voor de bezinning op en de praktijk van de eredienst en van de kerkmuziek voorzieningen zoals een bundel en een lijst van liederen, orden van dienst, liturgische formulieren, een liturgisch katern en ander materiaal. De kerken kunnen daarvan binnen de algemene kaders naar eigen keus gebruikmaken. In de besluitvorming zal de indruk worden vermeden dat een synode op liturgisch gebied de plaatselijke kerken ‘van bovenaf' aanstuurt .
2. De synode is ten aanzien van artikel 65 KO van oordeel dat in de kerkorde geen directe binding moet worden vastgelegd aan complete en precieze orden van dienst. De hoofdregel moet zijn, dat de kerkenraden er binnen het algemeen geldend kader verantwoordelijk voor zijn dat op verantwoorde wijze aan de kerkdiensten invulling wordt gegeven. In generaal-synodaal verband ontwikkelen en aanvaarden de kerken diverse orden van dienst bij wijze van voorbeeld en als aanbevolen orden, waarvan de kerken gebruik kunnen maken.

Verantwoordelijkheid voor de kerkenraad
Grote lijn in deze koersbepaling is dat elke kerkenraad verantwoordelijk is voor een goede vormgeving van de erediensten. Er is wel een algemeen kader, maar daarbinnen is er veel ruimte. De orden van dienst zijn niet meer voorschrift, maar voorbeeld. Elke plaatselijke kerk kan zoeken naar vormen die bij zijn eigen situatie passen. Eén voorbeeld: een gemeente met veel kinderen besluit om in elke dienst vóór de preek tien minuten iets te doen voor en met de kinderen; dan geldt níet het argument ‘dat mag niet, want het staat niet in de orde van dienst'. De kerkenraad kan zelf zoiets beslissen, als daarbij duidelijk gemaakt wordt dat het passend is bij wat we leren uit de bijbel en belijden in de gereformeerde belijdenis.

Zingen wat samen afgesproken is
De kerken hebben wel afgesproken dat we samen beoordelen wat goede liederen zijn.
3. De synode keurt naar art. 67 KO die gezangen goed die beantwoorden aan de generaal-synodaal vastgestelde criteria en die aansluiten bij de wensen die in de breedte van de kerken leven. In de toekomst zal er een afgeronde bundel komen. Daarnaast zal er een lijst zijn van gezangen die wel gezongen mogen worden, ook al staan ze niet in de bundel. Daarbij is dit afgesproken: De kerken maken door deze selectie de gezamenlijke afspraak om voor de kerkdiensten hun keuze uit deze liederen te maken. Afwijking van deze afspraak dient een kerkenraad te verantwoorden en behoort een uitzondering te zijn.
Wat het zingen betreft, verandert er dus niet veel. Alleen in bijzondere situaties zingen we iets anders dan de vrijgegeven liederen. In onze gemeente functioneert dat trouwens zo: als er goede aanleiding is om een lied te laten zingen dat níet is vrijgegeven, mag dat wel áls van tevoren twee ouderlingen (of predikant en ouderling) het lied inhoudelijk hebben goedgekeurd. Zo gebeurt dat bijvoorbeeld wanneer een bruidspaar erg graag een bepaald lied wil laten zingen, of wanneer een lied heel direct past bij een preektekst.

Er is dus heel wat meer variatie mogelijk dan vaak gedacht wordt. Onder leiding van de kerkenraad mag de gemeente van Christus zoeken naar vormen die recht doen aan de gaven in en de veelkleurigheid van de gemeente. Als we daarbij maar gericht blijven op het doel, ons laten leiden door Gods Woord en de liefde de toon aangeeft in onze gesprekken hierover.

Klik hier voor de volledige tekst van de koersbepaling >

Laag drempelig gemeente zijn

Heel de kerkdienst kun je samenvatten in één term: omgang. We hebben omgang met de Heer onze God, en met elkaar. In het eerste artikel heb ik drie pijlen getekend. Er is omgang van God uit naar ons toe en omgekeerd van ons naar God. En er is omgang tussen ons onderling. Maar er hoort nog een pijl bij, gericht naar mensen buiten de kerk. Of misschien beter gezegd: er mogen buiten de kerk uitnodigingsborden hangen met pijlen die van buiten naar binnen wijzen: welkom in de kerkdienst; welkom bij onze omgang met God en met elkaar. We nemen u daar graag in mee.
Onze kerkdiensten moeten laagdrempelig zijn en uitnodigend voor gasten. Bij die gasten kun je aan allerlei mensen denken: mensen die God hebben leren kennen en op zoek zijn naar een kerk, maar ook mensen die nieuwsgierig zijn waarom toch elke zondag dat gebouw zo vol zit; mensen die uit interesse meekomen met collega’s, buren die uitgenodigd zijn voor een doopdienst. Maar ook een verwaarloosde zwerver die een uurtje rust en warmte zoekt, is welkom!

Liefde voor alle mensen
Er zijn minstens twee goede redenen om onze kerkdiensten zo open te zetten voor gasten.
De eerste is dat we onze rijkdom moeten willen delen met anderen. De rijkdom dat wij met God mogen omgaan, dat we zijn verlossende nieuws kennen en rust mogen hebben in Hem. Er zijn zoveel mensen die schreeuwend behoefte hebben aan de rust en zekerheid die Christus wil geven - alleen weten ze het zelf niet. Wij mogen hun ervan vertellen en het laten zien.
In de voetstappen van Jezus leren we om liefde te voelen voor vreemden die we tegenkomen en die we zouden kunnen helpen. We leren van Hem een open houding, Van Hem leer je om blij te zijn met gasten in de dienst, ook al zien ze er anders uit dan we gewend zijn en ruik je hun eetgewoonten. Wees blij dat ze er zijn en dat wij iets kunnen delen van onze omgang met onze goede God.
Paulus schrijft aan Titus dat de goedheid en mensenliefde van God, onze redder, openbaar zijn geworden (Titus 3:4). Die mensenliefde mogen wij handen en voeten geven door een gastvrije houding naar iedereen die de kerkdienst meemaakt.

Eer aan God
De twee redenen voor laagdrempeligheid is de eer van God. Paulus noemt dat in 1 Korintiërs 14, als hij schrijft over de samenkomsten van de gemeente. Hij legt uit dat je dan erg terughoudend moet zijn met het spreken in klanktaal (vorige vertaling: spreken in tongen). Gasten kunnen daar namelijk niets van begrijpen. Als er in de eredienst klanktaal wordt gebruikt, kunnen gasten niets meemaken van de omgang met God. Ze kunnen dan ook niet de lofprijzing met ‘amen’ bevestigen (vs.16). Maar wordt er in gewone taal gesproken en voelt de ongelovige buitenstaander zich daarin aangesproken, ‘dan zal hij zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden: "werkelijk, God is is uw midden"’ (vs.25).
De eer aan God is een belangrijke motivatie om laagdrempelig te zijn. In verschillende psalmen zingen we ‘loof de Here, alle volken’. Dan moeten we ook van onze kant er veel aan doen om de ‘volken’(lees: gasten) het mogelijk te maken om met ons de Heer te loven.

Elke dienst laagdrempelig
In 1 Korintiërs 14 gaat Paulus er duidelijk van uit dat het normaal is dat er altijd gasten zijn in de samenkomsten van de gemeente. Niet af en toe in een gastendienst, maar elke week. Dat betekent dat alle diensten laagdrempelig moeten zijn. Geen taal die alleen voor kerkleden te begrijpen is. Niet automatisch ervan uitgaan dat ieder weet wat er gaat gebeuren. Uitleg bij onderdelen van de dienst, enzovoort. Alle elementen in het omgaan met God en met elkaar moeten toegankelijk zijn voor gasten. Zelfs de Avondmaalsviering. Niet in die zin dat gasten direct uitgenodigd worden om naar voren te komen, maar wel zo dat de inhoud van wat gevierd wordt, ook voor niet-avondmaalsgangers is.
Dat vraagt dus om toegankelijke vormen, taalgebruik en dergelijke. Wij moeten ons aanpassen aan de mensen die we graag bereiken, niet allereerst andersom. God heeft zich immers ook aangepast aan ons en ons opgezocht waar wij waren?!

Toegankelijke gemeente
De laagdrempeligheid is niet alleen iets van de vormgeving van de dienst. Boven dit artikel heb ik bewust gezet ‘laagdrempelig gemeente-zijn’. Een welkome houding begint in de hal van de kerk. Niet alleen door de verwelkomers, maar door ons allemaal. Een vriendelijke blik, een groet, het aanbieden om uitleg te geven als iemand duidelijk met vraagtekens staat. Ook in de kerkzaal: nodig iemand uit om naast je te komen zitten. Geef uitleg als je ziet dat er vragen zijn. Nodig uit voor de koffie na kerktijd.
Veel van dit soort dingen gebeuren in onze gemeente. Ik krijg soms signalen van gasten die een welkome houding gevoeld hebben. Fijn! Laten we ons daar allemaal voor blijven inzetten.

Gastendiensten
Naast die gewone laagdrempeligheid is het goed om met regelmaat diensten te houden met het stickertje ‘gastendienst’. Dat versterkt het signaal naar buiten dat we gastvrij willen zijn. Zulke diensten zijn aanleiding voor extra ‘reclame-materiaal’. Het kan de drempel voor gasten nog lager maken. En het helpt ons zelf om er bewust van te zijn dat we gastvrij moeten zijn.


ds. Rob Vreugdenhil | 7 februari 2006

Mijn handen hef ik naar omhoog....

Over staan en klappen en andere lichaamsbeweging in de eredienst 'Eventueel knielt hierbij het bruidspaar.' Zo stond het in het huwelijksformulier. Ik ben opgegroeid met alle nadruk op dat 'eventueel': knielen hóefde niet. Eigenlijk hoorde het gewoon niet. Verder knielen we toch ook nooit in de kerk? Waarom dan wel als je trouwt?! Een logische redenering en passend bij de kerkelijke cultuur van toen: weinig aandacht voor symboliek, rituelen en vormgeving. Maar dat is aan het veranderen. Hoe reageren we daarop?

De laatste tijd heb ik verschillende mensen gesproken die best graag in de kerkdienst bij het zingen hun handen omhoog zouden willen houden. Of mee klappen. Of spontaan gaan staan.
Kortom, meer aandacht voor het mee laten doen van heel je lichaam bij de eredienst aan God. Is dat typisch iets voor deze tijd? Moet dat afgewezen worden; of is er alle reden om er ruimte voor te geven?
Ik wil in dit artikeltje een paar dingen aandragen voor het gesprek hierover.

Bijbelse voorbeelden
'Juicht, o volken, juicht, handklapt en betuigt...' Iemand vertelde me dat ze zich bij Psalm 47 altijd weer verbaasd afvraagt waarom we wel de volken oproepen om in hun handen te klappen, terwijl we het zelf nooit doen. Ze krijgt ook een jaloers gevoel bij Psalm 98: 'Laat al de stromen vrolijk zingen, de handen klappen voor de Heer'. Waarom de stromen wel en wij niet? Ik heb zelf ook zoiets bij Psalm 63: 'mijn handen hef ik naar omhoog'. Of Psalm 141: 'Laat, Heer, mijn gebed en mijn handen geheven zijn, tot U gericht.'
Je kunt niet zomaar zeggen dat dit dichterlijke taal is. De Israëlieten déden het. 'Ezra loofde de Here, de grote God, en het gehele volk antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief: Amen, Amen. En zij knielden en bogen zich voor de Here neder met het gelaat ter aarde.' (Nehemia 8:6) Wat een lichaamsbewegingen in de eredienst. In lofverheffing, maar ook in smeking: 'Toen Salomo dit gehele gebed en deze smeking tot de Here beëindigd had, stond hij op van voor het altaar des Heren uit zijn knielende houding, waarbij zijn handen naar de hemel uitgebreid waren' (1 Koningen 8:54). Ook voor Paulus was het heel gewoon: 'Ik wil dan, dat de mannen op iedere plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist' (1 Timoteus 2:8). Paulus zelf knielde met vele anderen op het strand (Handelingen 21:5). En het bekende voorbeeld van David, die 'huppelde en danste voor het aangezicht des Heren' (2 Samuel 6:16).
Genoeg voorbeelden in de bijbel: op allerlei manieren worden lijf en leden ingeschakeld bij de eredienst aan God. Dat wordt niet voorgeschreven, maar heeft een natuurlijke plek in het geheel.

Systematische doordenking
Lichaamshouding en geestelijke houding beïnvloeden elkaar. Uiteindelijk gaat dat terug op de schepping: zo heeft God ons gemaakt, als eenheid van lichaam en geest. Ieder mens ervaart dat ook zo. Ik herinner me de broeder ouderling, die waarschijnlijk nooit z'n handen opgeheven zou hebben tijdens een loflied ('dat is evangelisch - dat hoort niet'), maar die zich wel heel druk kon maken om jongeren die 's avonds bij het bidden niet eens meer knielen voor hun bed. En zingen met je handen in je zakken was bij ons vroeger ook uit den boze.

Lichaam en geest zijn niet te scheiden. God heeft ze samen geschapen, om Hem te eren. 'Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht' (Deuteronomium 6:5). Heel het mens-zijn wordt ingeschakeld. Daar ligt uiteindelijk de eenheid van God achter: als de Heilige Geest mensen brengt tot geloof in de Zoon en tot aanbidding van de Vader, schakelt Hij daarbij de scheppingsgegevens niet uit, maar juist in. De Geest neemt het door de Vader geschapen lichaam in gebruik als tempel. Paulus past dat toe richting seksualiteit en schrijft: verheerlijkt dan God met uw lichaam (1 Korintiërs 6:19,20). Waarom zouden we dat ook niet toe mogen passen richting eredienst, lofverheffing en aanbidding?

Praktijk
Pleit ik er voor dat we voortaan allemaal met de handen omhoog gaan staan zingen of zoiets. Absoluut niet! Wel of niet je handen gebruiken, dat heeft alles te maken met persoonlijke gevoelens. Iemand vertelde me: 'hoe enthousiaster mensen om me heen gaan zingen, klappen en hun handen opheffen, hoe stiller ik zelf word; van binnen juich ik mee, maar meedóen zal ik niet'. Prima. God heeft ons niet allemaal hetzelfde geschapen.
Ik zou wel het gesprek op gang willen brengen of er in onze kerken meer ruimte mag zijn voor die verschillen. Zelf heb ik in andere diensten en samenkomsten meegemaakt dat soms maar enkelen hun handen opheffen of gaan staan bij het zingen, zonder dat anderen daar afkeurend op reageren. Waarom zou die ruimte er bij ons niet kunnen zijn?
Het onderling omgaan met zulke verschillen is een onderwerp apart. Met een variatie op Romeinen 14 zou ik alleen dit willen zeggen: Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd. Wie hecht aan het opheffen van handen, doet het om de Here, en wie knielt, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet z'n handen opheft, laat het na om de Here en ook hij dankt God. Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder?
Met dit (te korte) artikel heb ik in ieder geval het onderwerp willen weghalen uit de normatieve sfeer van 'mag niet' en 'niet stijlvol'. Het is niet allereerst een kwestie van 'goed' of 'fout', maar van persoonlijke beleving. Laat er op dat punt ruimte mogen zijn voor verschillen. Gun dat elkaar. En ga met elkaar in gesprek. In liefde.
Wat dacht u er trouwens van om zo=n gesprek te beginnen met een heilige kus (Rom.16:16) of een stevige broederhand (Gal.2:9)?