Eerst wat achtergronden
Het griekse diakonos, diakonia, komen we op verschillende plaatsen tegen en in verschillende vormen. Vaak in de betekenis van dienaar zijn of die van bediening, waardoor het een hele ruime invulling heeft. Wat traditioneel als de ‘bedieningen’ gezien wordt is bijvoorbeeld ‘diakonos’ in Efeze 4: 13. In Lucas 22: 27 noemt Christus zichzelf een diakonos. Wanneer de zeven aangesteld worden door de apostelen in Handelingen 6 wordt echter niet gesproken over diakenen. Hoewel bijna alle vertalingen boven de pericoop zetten dat hier diakenen aangesteld worden. Opmerkelijk is dat er wel staat in Handelingen 6:4 dat de apostelen zich zullen houden aan de diakonos van het Woord. De zeven werden aangesteld voor een taak staat er namelijk de dienst der tafelen en onder handoplegging ingezegend. In Rom. 13:4 wordt over de overheid als de diakonos gesproken. In Rom. 16:1 wordt gesproken over de zuster Febe, welke ook een diakonos is. In 1 Tim. 1:12 noemt Paulus zich zelf ook gesteld in Zijn dienst (diakonos).
Doordat het grondbegrip diakonia op verschillende plaatsen gebruikt wordt in verschillende betekenissen moet vastgesteld worden dat een algemene taakomschrijving van een diaken ontbreekt. Specifiek over diakenen als een onderscheiden functie in de gemeente wordt slechts gesproken in de voorwaardelijke sfeer. Waar gesproken wordt over diakonos is steeds sprake van dienaar zijn. Het centrale thema van diakenschap blijft dan toch ook het ‘staan ten dienste van.’
De belangrijkste taak van de diakenen
is om op praktische wijze zorg te dragen voor de materiële noden van de gemeente. In Hand. 6:2 wordt dit omschreven met de woorden ‘de tafels bedienen.’ De procedure voor het aanstellen van diakenen zou je uit Handelingen 6 kunnen halen. We zien daar dat de apostelen de gemeente in haar totaliteit de verantwoordelijkheid gaven om uit hun midden geschikte mensen te kiezen voor het ambt van diaken. Nadat deze mensen door de gemeente waren gekozen, werden zij bij de apostelen gebracht, die eerst met hen baden en hen daarna de handen oplegden. Deze handoplegging was belangrijk. In de eerste plaats erkenden de apostelen hiermee openlijk dat zij deze mensen geschikt achten voor dit ambt. In de tweede plaats droegen zij deze mannen, en de taak waartoe zij geroepen waren, aan God op. Ten derde lieten zij deze mannen delen in de genade en wijsheid, door de Heilige Geest, die zij ontvangen hadden, opdat zij hun taak beter zouden kunnen uitvoeren. Onder deze diakenen vinden wij ook Stefanus en Filippus. Zij werden later op een wel heel bijzondere wijze door God gebruikt.
De diaken kan dus op meerdere wijzen dienen, maar hij is er zeker ook om het werk van de oudsten te verlichten, zodat de oudsten meer tijd hebben voor woord en gebed en zich vrij aan de geestelijke noden van de gemeente kunnen wijden (1 Tim. 3:8-13). De voorwaarden om diaken te worden zijn nagenoeg gelijk aan de voorwaarden die gelden voor het ambt van oudste. Bij de aanstelling van diakenen geldt weer: laat u als gemeente en oudsten leiden door de Heilige Geest. Als de gemeente eensgezind en biddend is, zal de Heer duidelijk maken hoe er gehandeld moet worden. ‘Opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen’ (I Cor. 12:25).
In het nieuwe testament hebben eigenlijk alleen de volgende tekstgedeelten expliciet betrekking op diakenen.
Filippenzen 1:1
Paulus en Timotheus, dienstknechten van Christus Jezus aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Philippi zijn, tezamen met hun opzieners en diakenen. Toelichting: Duidelijk in dit gedeelte is de onderscheiding van de opzieners en diakenen als het leidinggevend en onderscheiden kader van de gemeente.
1 Tim. 3: 8-13
‘Evenzo moeten de diakenen eerzaam zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, maar het geheimenis des geloofs bewarend in een rein geweten. Laten ook deze eerst een proeftijd doormaken, om daarna, als er geen klachten zijn, hun dienst te vervullen. Evenzo moeten (hun) vrouwen zijn: eerzaam, geen kwaadsprekers, nuchter, betrouwbaar in alles. Diakenen moeten mannen zijn van één vrouw, hun kinderen en hun eigen huis goed bestieren. Want zij, die hun dienst goed hebben vervuld, verwerven zich een ereplaats en veel vrijmoedigheid om te spreken door het geloof in Jezus Christus.’
Toelichting:
De voorwaarden zijn duidelijk, waarbij aangegeven moet worden dat deze omschrijving algemeen van aard is, die toepasbaar is op iedereen die actief wil zijn in de gemeente. Uit de toevoeging van ‘hun’ vrouwen, die niet in elk manuscript voor de grondtekst voorkomt, leiden enkelen af dat onderscheiden kan worden in dit gedeelte, voorwaarden voor mannen én vrouwen. Dit zou dan leiden tot de conclusie dat zowel mannen als vrouwen diaken kunnen zijn. Vanuit de toenmalige cultuur gezien, mag echter volgens vele anderen niet automatisch de conclusie getrokken worden dat dit gedeelte mannen en vrouwen ziet als diaken. Waar over vrouwen gesproken wordt, zien sommigen dit in de vorm van een zusterhulp en niet in een ambtelijk kader. Immers van Christus en de apostelen wordt gezegd dat zij ‘diakonos’ zijn.
Tot slot:
De diaken wordt in Filippenzen 1:1 gezamenlijk onderscheiden met de opzieners, waardoor aannemelijk is dat zij een leidinggevende taak hadden, die in oudtestamentische zin gegeven werd aan de ‘oudsten’ binnen de toenmalige culturele kaders.